Het directe en indirecte energiebeslag van Nederlandse huishoudens in 1995
en een vergelijking met huishoudens in 1990
Vringer, K., Gerlagh, T and Blok, K. (1997). Het directe en indirecte energiebeslag van Nederlandse huishoudens in 1995 en een vergelijking met huishoudens in 1990. Report 97071, NW&S-UU, Utrecht, The Netherlands. ISBN: 90-73958-34-2.
Huishoudens gebruiken niet alleen energie in de vorm van gas, elektriciteit en benzine (het directe energiebeslag), maar er is ook energie nodig voor de produktie van de door het huishouden aangeschafte goederen en diensten (indirect energiebeslag). Uit eerder onderzoek is gebleken dat een gemiddeld Nederlands huishouden in 1990 een energiebeslag heeft van 227 GJ (excl. medische zorg), waarvan ruim de helft indirect.
In dit onderzoek is het energiebeslag van huishoudens in 1995 berekend en vergeleken met het energiebeslag van huishoudens in 1990. Tevens is de relatie tussen het huishoudelijke energiebeslag en enkele andere variabelen onderzocht.
Indien de gemaakte efficiëntieverbeteringen van de toeleverende sectoren die tussen 1990 en 1995 hebben plaatsgevonden niet worden meegerekend, is het gemiddeld energiebeslag per huishouden niet significant veranderd. Omdat het aantal personen per huishouden tussen 1990 en 1995 met 6% is gedaald, is het jaarlijkse totale energiebeslag per persoon toegenomen van 92 naar 99 GJ.
Indien efficiëntieverbeteringen in de toeleverende sectoren wel worden meegenomen is het gemiddeld energiebeslag per huishouden tussen 1990 en 1995 met 2% gedaald, maar het energiebeslag per persoon ligt in 1995 4 % hoger dan in 1990.
Voor de nu volgende conclusies zijn steeds huishoudens met een vergelijkbaar inkomen met elkaar vergeleken.
De huishoudtypes ‘alleenstaande onder de 60 jaar’ en ‘2 volwassenen, jonger dan 60 jaar met één inkomen’ hebben een significant lager energiebeslag (-10 tot -15 GJ) dan gemiddeld terwijl het huishoudtype met ‘2 volwassenen, ouder dan 60 jaar’ daarentegen een hoger energiebeslag heeft dan gemiddeld (+ 10 tot 15 GJ). De verschillen in het totale energiebeslag van de verschillende huishoudtypes worden bijna volledig veroorzaakt door verschillen in het directe energiebeslag.
Huishoudens die in een gebied wonen met een lagere verstedelijkingsgraad hebben een gemiddeld hoger totaal energiebeslag (tot + 40 GJ) wat bijna geheel toe te wijzen is aan verschillen in het directe energiebeslag. Huishoudens uit een gebied met een lagere verstedelijkingsgraad zijn dan ook vaker in het bezit van een auto en wonen in ruimere woningen.
Het blijkt dat huishoudens waarvan het hoofd een leeftijd heeft tussen de 18 en 30 jaar, een significant lager energiebeslag (-14 GJ) hebben. Zij verbruiken voornamelijk minder elektriciteit en gas dan een doorsnee huishouden.
Het lijkt erop dat huishoudens waarvan het hoofd of de partner werkt, een lager direct energiebeslag hebben dan huishoudens waarvan het hoofd of de partner niet of erg weinig werkt. Alleen voor de twee laagste uitgavekwartielen is het gevonden verschil in het directe energiebeslag significant (ruim 7 GJ).
Huishoudens die in het bezit zijn van één of twee auto’s, hebben een hoger totaal energiebeslag (respectievelijk +20 en + 40 GJ) dan autoloze huishoudens, wat niet alleen te herleiden is tot een meerverbruik aan benzine. Het is goed mogelijk dat het aantal auto’s iets zegt over het milieugedrag van een huishouden.
Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de volgende aspecten invloed hebben op het totale huishoudelijke energiebeslag:
het opleidingsniveau van het hoofd van het huishouden
het wel- of niet vegetarisch eten
de vakantiebestemming van het huishouden.
Het is goed mogelijk dat deze aanwijzingen niet gevonden zijn door het ontbreken van voldoende gegevens. Dit geldt voornamelijk voor het aspect ‘vakantiebestemming van het huishouden’.
Deze publicatie is beschikbaar als PDF file. Klik
hier
om te downloaden (295 kB).